nl  

Efcap

 

 

 

 

 

 

 

Verslag van de Landelijke studiedag Efcap & ALV

 

Thema: Evidence-based werken in de justitiële jeugdzorg

Datum: 20 januari 2009

Tijd: 9.30 uur - 16.30 uur

Locatie: Van der Hoevenkliniek

N.b.: Dit verslag is geschreven met behulp van de powerpointpresentaties van de verschillende sprekers.

 

Programma:

9.30 Opening door voorzitter Efcap-nl

9.45 Effectieve interventies in de forensische psychiatrie - dr. L. Boendermaker

10.30 Databank effectieve jeugdinterventies - drs. M. de Graaf

11.15 Koffie/thee

11.30 Tools4U - drs. J. Tjaden

12.15 Lunch

13.00 Algemene ledenvergadering

13.45 MST - drs. S. van Arum

14.30 WSART - drs. H. Spanjaard

15.15 Koffie/thee

15.30 Forumdiscussie over de methodologische en ethische kwesties, en andere aspecten rond het doen van effectstudies, met o.a., dr. C. Nas (WODC), dr. M Barendrecht (NIFP) en prof. dr. J. Hermanns (Erkenningscommissie)

16.30 Afsluiting en borrel

 

 

Spreker 1: Leonieke Boendermaker (werkzaam bij het NJI)

Leonieke Boendermaker vertelt over interventies voor jeugdigen (met gedragsstoornissen/contacten met justitie). Allereerst gaat zij in op het NJI (Nederlands Jeugd Instituut). Het NJI als kenniscentrum verzamelt, valideert, verrijkt en verspreidt praktisch relevante en bewezen effectieve kennis. Op de site van het NJI is een databank te vinden met daarin opgenomen effectieve jeugdinterventies die op z'n minst in theorie effectief zijn. Van een deel van de opgenomen interventies is de effectiviteit ook door onderzoek aangetoond. Het NJI werkt in opdracht en met subsidie van het ministerie van Jeugd en Gezin.

Voor de justitiële interventies wordt als maat voor effectiviteit de recidiveverminderende werking gehanteerd.

 

Wat werkt wel bij jongeren met gedragsstoornissen en wat werkt niet?

Uit longitudinaal onderzoek komt naar voren dat bij de ontwikkeling van probleemgedrag en/of crimineel gedrag meerdere factoren een rol spelen. Er zijn verschillende ontwikkelingspaden naar criminaliteit te onderscheiden en verder is er een verschil tussen jongeren die al van kinds af aan probleemgedrag vertonen en jongeren bij wie dit beperkt blijft tot de adolescentieperiode.  

Risico- en beschermende factoren dienen aangrijpingspunten te zijn voor interventies. Deze factoren kunnen o.a. gerelateerd zijn aan het kind, ouders, gezin en/of de omgeving waarin het kind opgroeit.

 

Uit onderzoek blijkt dat een interventie afgestemd dient te worden op aantal principes om effectief te zijn. Allereerst zijn er principes die specifiek betrekking hebben op de justitiële groep jongeren. Het gaat hierbij om het recidiverisico, het behoeftebeginsel en responsiviteit. Daarnaast zijn er echter ook andere principes van belang die niet specifiek zijn voor de justitiële groep, ook wel de 'algemeen werkzame factoren' genoemd. Hierbij kan o.a. gedacht worden aan een goede theoretische onderbouwing van de interventie, goed getraind personeel en programma-integriteit (een interventie dient uitgevoerd te worden zoals deze beschreven staat op papier).    

Dan zijn er nog 'specifiek werkzame factoren' te onderscheiden die afhankelijk zijn van de doelgroep en de interventie. Effectief gebleken bij jongeren met gedragsstoornissen zijn de volgende typen interventies: cognitief gedragstherapeutische interventies, interventies gericht op het trainen van vaardigheden, interventies voor ouders/gezin en multimodale programma's.

Naast effectief gebleken interventies, is inmiddels ook een aantal typen interventies bekend die niet effectief zijn gebleken, waaronder o.a. interventies gericht op afschrikking en vergroten van inzicht.    

 

Specifiek gekeken naar cognitief gedragstherapeutische interventies, blijkt het om een brede term te gaan voor het trainen van meerdere vaardigheden, waaronder het veranderen van cognities, moreel leren redeneren en het beter in leren schatten van sociale situaties. Uit een meta-analyse van Landenberger en Lipsey blijkt dat cognitieve herstructurering het beste werkt, evenals 'anger control' en een groepstraining met een individuele component. Het trainen van alleen sociale vaardigheden blijkt niet tot recidivereductie te leiden.

    Wanneer het gaat om gezinsinterventies dan blijkt dat studies vaak gaan over kinderen tot 14 jaar. Tot 14 jaar lijkt een combinatie het beste van het trainen van vaardigheden van zowel kind als ouders. Voor jongeren ouder dan 14 is vaak intensieve training nodig.

 

Wanneer het gaat om effectieve interventies binnen een residentiële setting (waaronder een therapeutisch pleeggezin), dan blijken programma's gericht op het trainen van sociale en probleemoplossende vaardigheden het beste. Bij gesloten tehuizen is het voorts belangrijk dat er een goede overgang naar de samenleving gerealiseerd wordt.

    Gerealiseerd moet worden dat er risico's zijn bij een residentiële plaatsing. Een belangrijke daarbij is 'deviantietraining', waarbij jongeren elkaar letterlijk training in deviant en negatief gedrag. Dit risico is het grootst wanneer het samen gaat met een gebrek aan duidelijke structuur en negatieve relaties met volwassenen binnen de instelling.

 

Om evidence-based te werken is het belangrijk dat datgene wordt toegepast waarvan we weten dat het bij een specifieke groep werkt. Ook werkzame elementen dienen in de interventie te worden meegenomen en regelmatig evalueren is van belang. Diverse bronnen kunnen worden geraadpleegd, zoals de site van het NJI (specifiek de daarop beschreven (voorlopig) erkende interventies). Door de Erkenningscommissie erkende gedragsinterventies voldoen aan alle kwaliteitscriteria waar een effectieve interventie aan dient te voldoen. Deze erkenning is 5 jaar geldig. Voorlopig erkende gedragsinterventies voldoen nog niet aan alle kwaliteitscriteria, maar er is al wel voldoende vertrouwen in de effectiviteit.

 

Voor de komende tijd is het van belang dat er een brede implementatie plaatsvindt van erkende interventies, er aandacht is voor werkzame factoren en dat er afstemming is van de interventie op de behoeften van de jongeren.

 

Klik hier voor de powerpointpresentatie van Leonieke Boendermaker.

 

Spreker 2: Marian de Graaf (werkzaam bij het NJI)

Marian de Graaf vertelt over de databank effectieve jeugdinterventies. Deze databank bevat een heel scala aan interventies, ook interventies die niet specifiek gerelateerd zijn aan justitie.

Het doel van de databank is het leveren van een bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van de zorg- en dienstverlening aan kinderen en hun ouders/opvoeders. Dit wordt gedaan door het beschikbaar stellen van kennis en informatie en door te werken met een ontwikkelingsmodel.

    In de databank zijn interventies opgenomen op het gebied van jeugd en opvoeding voor jeugdigen van 9 maanden tot 23 jaar oud. Alle interventies zijn gericht op het bevorderen van de ontwikkeling waar deze bedreigd wordt of dreigt te worden.

Toegang krijgen tot de effectieve interventies die in de databank zijn opgenomen gaat als volgt: www.nji.nl, 'databank effectieve jeugdinterventies', 'effectieve interventies'. De interventies worden op een aantal punten besproken, zoals het doel van de interventie, de doelgroep, de voorwaarden voor de uitvoering en de resultaten van effectiviteitonderzoek.

 

Net als voor de gedragsinterventies voor Justitie is er ook voor de jeugdinterventies een Erkenningscommissie die interventies beoordeelt op hun effectiviteit.  

Om de kwaliteit van interventies te verbeteren zijn er twee wegen mogelijk, namelijk 'Topdown' en 'Bottum up'. Bij de eerste weg wordt er in de praktijk gebruik gemaakt van effectief gebleken interventies. Er is dan sprake van het creëren van evidence-based practice. Bij de tweede weg worden interventies die al in de praktijk gebruikt worden getoetst op hun effectiviteit, door het verzamelen van practice-based evidence.

 

Bij de databank effectieve jeugdinterventies wordt er gebruik gemaakt van een ontwikkelingsmodel, de effectladder. Deze effectladder geeft niveaus aan van evidentie. Niveau 1 is beschrijvend, niveau 2 theoretisch, niveau 3 indicatief en het laatste en hoogste niveau causaal. Een interventie moet minimaal niveau 2 behaald hebben om in de databank opgenomen te kunnen worden. Indien een interventie niveau 3 of 4 behaald heeft, dan komt deze op de site www.jeugdinterventies.nl, en krijgt het de stempel 'veelbelovend' of 'bewezen effectief'.

De effectladder is ook nuttig voor professionals in het veld. Zo kun je met behulp van de ladder o.a. kennis delen over belangrijke delen van een interventie, het maakt duidelijk waarom een bepaalde aanpak past bij een bepaalde cliënt, het biedt aanknopingspunten voor verbetering en je krijgt zicht op wat van een interventie wel of juist niet werkt.

 

Op de site staat bij de interventies aangegeven of er onderzoek naar de interventie is verricht. Dit onderzoek kan op verschillende niveaus geclassificeerd worden, met een sterrensysteem. Het hoogst haalbare niveau (niveau 5) en dus het beste onderzoek is het RCT-design, waarbij er gebruik is gemaakt van een willekeurige samenstelling van een experimentele en controlegroep.

 

Ten slotte: evidence-based werken is meer dan alleen het uitvoeren van effectieve interventies. Eigen reflectie buiten de interventie om is ook nodig, ook wel aangeduid als professionele autonomie.

 

Klik hier voor de powerpointpresentatie van Marian de Graaf.

 

Spreker 3: Jolle Tjaden (werkzaam bij PI Research)

Jolle Tjaden vertelt over Tools 4 U. Dit is een training in cognitieve en sociale vaardigheden die ingezet wordt als taakstraf.

Tools 4 U kent een lange geschiedenis en werd in eerste instantie door Arnold Bartels ontwikkeld als training sociale vaardigheden (jaren '70). In de jaren '80 werd het ingezet als taakstraf en uiteindelijk is het programma uitgebreid met het trainen van cognitieve vaardigheden. Belangrijk bij de inzet van Tools 4 U is dat het delict centraal dient te staan en ouders bij de training worden betrokken.

 

Het programma is in 2007 volledig erkend door de Erkenningscommissie (ingediend door de Raad voor de Kinderbescherming). In eerste instantie moest er nog wel aan de programma-integriteit gewerkt worden en ook de opleiding van trainers behoefte meer aandacht.

Erkenning van de training was van belang. Hiertoe werd de theoretische onderbouwing verbeterd, de interventie werd concreet beschreven, zodat het ook voor trainers duidelijker werd hoe ze moesten werken. Verder werd er kritisch gekeken naar de opleiding die de trainers moesten volgen en ook de doelgroep werd opnieuw bekeken. Nu het programma erkend is, kan de Raad gebruik maken van een erkende interventie.

 

De doelstelling van Tools 4 U is het leren van sociale en cognitieve vaardigheden aan jongeren die één of meer delicten gepleegd hebben. Ook de ouders worden betrokken. Hun monitorings- en/of probleemoplossingsvaardigheden worden versterkt, zodat de kans op recidive bij de jongere afneemt.

De doelgroep bestaat uit jongens en meisjes in de leeftijd van 12-18 jaar die (een) delict(en) hebben gepleegd. Vaak is er bij deze jongeren sprake van vaardigheidstekorten op bepaalde gebieden. Deze vaardigheidstekorten vormen een risicofactor voor het plegen van delicten. Om de training in te zetten is het o.a. vereist dat de jongere bereid is tot deelname. Verder is het belangrijk dat er een matig risico is op recidive.

 

Er bestaan vier verschillende varianten van Tools 4 U. Zo bestaan er programma's met acht en twaalf bijeenkomsten. Dan is er nog de Plusvariant, waarbij er vier bijeenkomsten extra worden georganiseerd en waarbij ook de ouders aanwezig zijn. Een indicatie voor de plusvariant is dat de jongere zich thuis niet aan afspraken en regels houdt en dat het ouders onvoldoende lukt om dit gedrag te veranderen. Daarnaast is het in het bijzonder bedoeld voor jongeren van 15 jaar en jonger, waarbij er van een preventieve werking van het programma wordt uitgegaan.

 

Aan het begin van de training (bijeenkomst 1) verzamelt de trainer informatie over het dagelijks leven van de jongere. Ook over het delict wordt informatie verzameld. Er vindt een delictbespreking plaats en er wordt een kosten-batenanalyse gemaakt (bijeenkomst 2). Vervolgens begint de daadwerkelijke training (bijeenkomst 3-7) en de interventie wordt afgesloten met een presentatie en evaluatie van de resultaten. Bij de plusvariant is sprake van dezelfde opbouw, echter nu worden ook de ouders bij de training betrokken. Elke bijeenkomst duurt anderhalf uur.

 

Ten behoeve van de kwaliteitsbewaking van Tools 4 U wordt de opleiding voor trainers afgesloten met zowel een kennistoets als een praktijktoets. Ook vindt er elk jaar een bijscholing plaats. Verder wordt van de trainers gevraagd dvd's op te nemen van hun training om zo beoordeling te kunnen laten plaatsvinden.  

 

Ten slotte: Tools 4 U kan per 1 januari 2009 worden opgelegd. Momenteel vindt voorlichting aan de medewerkers van de RvdK plaats.

 

Klik hier voor de powerpointpresentatie van Jolle Tjaden.

 

Spreker 4: Sander van Arum (werkzaam bij De Waag)

Sander van Arum vertelt over MST (Multi Systeem Therapie). MST is een intensieve, ambulante behandelingsmethode gericht op jongeren met ernstig antisociaal en delinquent gedrag, die op het punt staan om uit huis geplaatst te worden.

MST richt zich op alle risicofactoren die samenhangen met dit probleemgedrag. Behandeling vindt plaats in de thuis- en de schoolomgeving, gemiddeld drie keer per week.

Van groot belang en kenmerkend bij MST is de samenwerking tussen school en gezin. Beide factoren hebben een grote invloed op de adolescent en een samenwerking tussen beide heeft weer invloed op hoe de adolescent zich verhoudt tot de rest van zijn of haar systeem. Een ander kenmerk van MST is dat het werkt op de interactie tussen risicofactoren in de omgeving en risicofactoren in het individu. Dat kan echter ook individuele therapie inhouden.

 

Twee exclusiecriteria zijn een stoornis binnen het autismespectrum (dus ook PDD-NOS) en een IQ lager dan 70. Natuurlijk is deze grens niet geheel zwart-wit en zal er altijd naar het individu worden gekeken.

 

Therapiemodellen die binnen MST onderscheiden kunnen worden zijn o.a. de (cognitieve) gedragstherapie, pragmatische gezinstherapieën, en farmacotherapie (medicijnen). Deze laatstgenoemde vorm van therapie kan gebruikt worden bij bijvoorbeeld ADHD.  

 

Erkenning van de interventie (nu voorlopig erkend) is van belang. Zo wordt er expliciet gewerkt aan de hand van de What Works principes. Daarnaast is het een middel om financiering te ontvangen. Een nadeel bij de nadruk die er ligt op het krijgen van erkenning is dat het op den duur alleen nog maar daar om lijkt te gaan, ook tussen onderzoekers onderling. Het zou dus nooit een doel op zich moeten zijn.

 

Om zeker te weten dat de effecten van een interventie door de interventie veroorzaakt worden, is een RCT van belang. Hieraan kleven echter bezwaren, voornamelijk binnen de sociale wetenschappen. Een belangrijk bezwaar is een ethische kwestie. Bij een RCT-design gaat het om random toewijzing van proefpersonen aan interventies. Het is echter moeilijk te verantwoorden naar behandelaars/therapeuten om cliënten bewust in te delen bij een interventie waarvan bekend is dat er geen optimale resultaten mee worden behaald. Ook stuit een RCT vaak op weerstand bij verwijzers. Ze zijn bang voor de resultaten of ze hebben al een voorkeur voor een bepaalde conditie.

Het doen van een dergelijk uitgebreid onderzoek vraagt veel van de betrokken personen. Er is geduld nodig en ook een goede samenwerking is van belang. Omdat er vaak een groot verloop is van onderzoeksassistenten en verwijzers moet elke keer opnieuw het doel van het onderzoek uit worden gelegd. Dit is echter onvermijdelijk. Aansluiten bij deze problemen is het beste dat kan worden gedaan. Een goede communicatie blijft belangrijk en ook het betalen van gezinnen kan helpen om ze betrokken te houden. Proberen om het zo veel mogelijk in te bedden in de bestaande verwijsroutes helpt ook mee bij het beperken van weerstand bij personen.

 

MST is momenteel voorlopig erkend en slechts een kleine stap verwijderd van voorlopige erkenning. Als het dan uiteindelijk erkend wordt is het zaak om deze vast te houden, zodat het ook na de termijn van 5 jaar nog een effectieve interventie blijkt te zijn.  

 

Klik hier voor de powerpointpresentatie van Sander van Arum.

 

Spreker 5: Han Spanjaard (werkzaam bij PI Research)

Han Spanjaard vertelt over WSART (Washington State Aggression Replacement Training), een intensieve groepstraining voor jongeren met antisociaal en agressief gedrag die een aantal aan elkaar gerelateerde vaardigheidstekorten hebben, op het gebied van o.a. sociale vaardigheden, cognitieve vaardigheden en  moreel redeneren.  

 

De training bestaat uit 3x10 bijeenkomsten van een uur (gedurende 10 weken). Op elke bijeenkomst wordt een ander onderdeel behandeld, elke week in dezelfde volgorde. Deze onderdelen zijn achtereenvolgens Sociale Vaardigheidstraining, Boosheidscontroletraining (BCT) en Training Moreel Redeneren (TMR).  

Het doel van de BCT is het leren herkennen, verminderen en vermijden van boosheid. Er worden boosheidscontroletechnieken aangeleerd aan de jongeren en ook wordt prosociaal gedrag vergroot.

Bij de TMR wordt jongeren geleerd om sociale beslissingen te nemen, met als doel dat de ontwikkeling van moreel redeneren wordt bevorderd. Training gebeurt aan de hand van probleemsituaties, waarbij de jongeren een oplossing moeten kiezen uit de keuzemogelijkheden die ze hebben. De trainer maakt voorafgaande aan de training een matrix met daarin de antwoorden van alle deelnemers. Deze worden tijdens de training besproken.

 

De Aggression Replacement Training (ART) is oorspronkelijk ontwikkeld door Goldstein e.a. (1998); de Washington State versie is bewerkt voor toepassing in Nederland door De Bascule en PI Research. Er is gekozen voor de WSART, omdat het in Washington State op grote schaal ambulant wordt uitgevoerd. Ook is er grootschalig effectonderzoek verricht en ten opzichte van de oorspronkelijke ART zijn er enkele aanpassingen en aanvullingen geweest.

 

Agressief gedrag kan opgesplitst worden naar reactieve agressie en proactieve agressie. Bij reactieve agressie is er sprake van een reactie op het gevoel geprovoceerd of uitgedaagd te worden. Er is oprecht sprake van woede en boosheid. Bij proactieve agressie wordt de agressie als een instrument ingezet om anderen te manipuleren, te intimideren of om een bepaald doel of gewin te behalen.

WSART richt zich op beide vormen van agressie, waarbij de Boosheidscontroletraining aansluit bij reactieve agressie en de Training Moreel Redeneren gericht is op de proactieve agressie.

 

WSART is bedoeld voor jongens en meisjes van 12-17 jaar met een IQ hoger dan 85, die één of meerdere delicten gepleegd hebben (met een geweldscomponent) en waarbij het agressieve/criminele gedrag het gevolg is van vaardigheidstekorten.

Een centraal onderdeel van de training is de delictbespreking. Dit gebeurt individueel. De rest van de training wordt uitgevoerd in de groep. Daarbij wordt een situatie nagespeeld door leden van de groep, waarbij de rest van de groep aan het eind van de training feedback geeft. De trainer en cotrainer staan daarbij model. Tijdens de training lopen er ook cotrainers door de ruimte die er zorg voor dragen dat de groep zijn aandacht bij het proces houdt. De jongeren krijgen ook huiswerkopdrachten mee, waardoor ze specifieke vaardigheden leren toe te passen in het dagelijks leven.

 

De opleiding tot trainer duurt zes dagen en elk half jaar vindt er bijscholing plaats. Ook worden trainers een aantal keer per jaar aan de hand van video-opnamen beoordeeld.

 

WSART is momenteel voorlopig erkend. Het indienen van de interventie bij de Erkenningscommissie was een stimulans voor het bevorderen van de kwaliteit ervan. Zo heeft er een verdieping plaatsgevonden van de theoretische onderbouwing, is de indicatie aangescherpt en is er een betere stroomlijning van het opleidings- en supervisietraject. Daarnaast kan de Raad voor de Kinderbescherming gebruik maken van een voorlopig erkende interventie.  

 

Klik hier voor de powerpointpresentatie van Han Spanjaard.

 

 

 

Algemene Ledenvergadering

 

In 2010 zal het Europese Congres van de Efcap plaatsvinden in Basel.

 

Verder is het financiële jaarverslag 2008 gepresenteerd. Daaruit komt naar voren dat leden vaak niet op tijd de contributie betalen. Dit kan te maken hebben met het feit dat de mailinglijst enkele fouten bevatte. Dit is nu hopelijk opgelost.

 

klik hier voor het (fin)-jaarverslag 2008

 

Er zijn twee mensen die zich beschikbaar hebben gesteld voor de kascommissie. Zij hebben de kas goed bevonden. Ook voor 2009 zijn er twee personen vastgesteld voor de kascommissie.

 

Ook is er een nieuw bestuurslid benoemd: Anne Maurice van Eck.

Verder neemt Marlies Bakker de functie van bestuursmedewerker van Angela Henneveld over.

 

Ten slotte is gesproken over de professionalisering van de Efcap. Om deze te vergroten wordt gedacht aan het vestigen van een Efcap-kantoor. Vanuit een kantoor kan gemakkelijker een ledenadministratie bijgehouden worden, maar ook studiedagen e.a. worden georganiseerd. Op die manier is er meer continuïteit in de vereniging die wordt gedragen door een bestuur bestaande uit vrijwilligers.

Het kantoor kan ook fungeren als een Europees aanspreekpunt.  Dit idee komt mede voort uit het feit dat de organisatie van de Efcap in andere Europese landen matig is en er weinig tot geen leden zijn; veelal enkel een bestuur. Mogelijk kan een Europees kantoor als basis dienen voor registratie en organisatie van de andere Europese vestigingen met als gevolg een toename van het aantal leden. Vanuit de leden komen er verschillende reacties op dit voorstel. Zo wordt o.a. voorgesteld om te beginnen met een samenwerking met een enkel land.  Ook het organiseren van een studiedag in het buitenland wordt opgegooid als idee om andere Europese landen te helpen bij het werven van leden. Ten slotte wordt opgemerkt dat het ter ver doorvoeren van de professionalisering van Efcap-nl en haar studiedagen  mogelijk ook af kan doen aan de charme van de Efcap-nl.

 

Het bestuur gaat met het idee en de suggesties van de leden aan de slag en komt hierop terug.

Powerpoints van de sprekers

op de Landelijke Studiedag Efcap-nl

d.d. 20 januari 2009

Efcap

nl  

verder.